Wat leren wij?

Rekenen blok 2
Vlot toepassen (hoofdrekenen).
Aanvullen van getallen tot 100.000.
Handig rekenen.
Plus- en minsommen onder elkaar uitrekenen.
Keersommen onder elkaar uitrekenen.
Schatten en daarna precies uitrekenen.
Vertellen welke breuken evenveel zijn en welke minder dan 1/2 zijn.
Hoeveel procent is… (voorbeeld 8 van de 10 sommen goed, hoeveel procent is dat?).
Kommagetallen op de juiste plaats zetten op de getallenlijn.
Rekenen van vierkante meter naar vierkante decimeter, centimeter of millimeter.
Grafiek aflezen


Spelling
Categorie 25: woorden die eindigen op -tie.
Categorie 26: woorden die eindigen op -heid.
Categorie 27: woorden die eindigen op -teit.
Categorie 28: woorden die eindigen op -isch of -ische
Categorie 31: woorden met th die klinken als t.
W1: persoonsvormen in de tegenwoordige tijd.
W1: het vormen van de stam van een werkwoord.
W2: het schrijven van de persoonsvorm (van zwakke werkwoorden) in de verleden tijd.
W3: sterke werkwoorden in de verleden tijd. Bij deze werkwoorden verandert de klank in de verleden tijd.
W4: alle werkwoorden in de tegenwoordige en de verleden tijd.