Wat leren wij?

Rekenen blok 1
Vlot toepassen (hoofdrekenen).
Toepassen van getalstructuur: wat is een betekenis van een getal, waar hoort het getal op de getallenlijn en wat is de waarde van een getal tot 100.000.
Optellen en aftrekken in een context (optellen tot 2000 en aftrekken tot 1000).
Vermenigvuldigen met honderdtallen (bijvoorbeeld 3 x 400).
Van verschillende hoeveelheden een deel nemen, breuken (Wat is  ⅛ van 24?).
Positie bepalen van breuken op de getallenlijn.
Kommagetallen ordenen van weinig naar veel.
Lengte en gewicht omzetten in andere eenheden. Gewicht: van kg naar ton en andersom. Lengte: van meters naar dm, cm of andersom.
Geld: een prijsverschil berekenen, hoeveel is iets duurder geworden?
Digitale tijd bereken: de aankomsttijd bepalen.
Rekenen met schaal: van mm of cm naar km.


Spelling
Categorie 11d: woorden op -elen, – eren, – enen.
Categorie 12b: woorden met – erd en -aard.
Categorie 14: open lettergreep
Categorie 16: gesloten lettergreep
Categorie 17b: ingewikkelde samengestelde woorden.
Categorie 18: woorden met f/v en s/z verandering.
Categorie 19: woorden die eindigen op -ig.
Categorie 20: woorden die eindigen op -lijk.
Categorie 22: woorden met i als ie.
W1: persoonsvormen in de tegenwoordige tijd.
W1: het vormen van de stam van een werkwoord.
W2: het schrijven van de persoonsvorm (van zwakke werkwoorden) in de verleden tijd.